• Door Gerrit Scheurwater. 

    Het zal niemand zijn ontgaan dat het clubhoppen in volle gang is. Clubhoppen betekent dat spelers van de ene club naar de andere overstappen, gewild of ongewild. Jaarlijks wisselen ongeveer 50.000 spelers van club, waarvan het merendeel uitkomt in de A-categorie. Er zijn grofweg drie redenen voor zo’n overstap.

    1. De speler wil zelf vertrekken, vaak om financiële redenen: hij wil meer verdienen, maar krijgt dat bij zijn huidige club niet.
    2. De club wil niet langer met hem door. Hij is lastig, te duur of de trainer ziet het niet meer in hem zitten.
    3. Een andere club ziet in hem de ideale speler die perfect past binnen de (nieuwe) speelstijl van de trainer.

    Maar wie bepaalt eigenlijk het technische beleid binnen een club? In de jaren zestig en zeventig, bij sommige clubs zelfs nog later, had vrijwel iedere vereniging een elftalcommissie. Die bestond meestal uit goedwillende vaders van spelers, boerenknechten of bouwvakkers. Witteboorden zag je nauwelijks. Vaak hadden ze ooit gevoetbald, soms ook helemaal niet. Waar ze wél goed in waren: ruzie maken.
    Ik herinner me dat in de jaren vijftig bij ASWH een bestuurscrisis ontstond omdat de elftalcommissie een bepaalde speler niet opstelde. Die speler bleek toevallig de voorzitter te zijn. Ook in de jaren zestig was de macht van de elftalcommissie groot. Een speler van het eerste elftal kreeg verkering met de dochter van de secretaris en verloor prompt zijn basisplaats. Het officiële motief: “We willen niet dat iemand wordt voorgetrokken.” In die tijd had een trainer weinig tot niets te vertellen. De elftalcommissie waren de ‘deskundigen’, het bestuur stond meestal buitenspel. Bemoeide het bestuur zich er toch mee, dan was de heibel compleet.

    In Hendrik-Ido-Ambacht had je in die jaren ‘De Hoek’, het kruispunt Dorpstraat–Ambachtsesteeg (nu Reeweg). Op zondagmorgen, na de kerkdienst, verzamelden ASWH’ers zich daar. Problemen binnen de club werden uitvoerig besproken, waarbij de elftalcommissie vaak de kop van jut was. Als kleine jongen weet ik nog hoe fel de discussies daar soms waren.

    Hoe anders is dat nu. Elke zichzelf respecterende club heeft tegenwoordig een technisch directeur, manager of coördinator. Samen met het bestuurslid technische zaken bepalen zij het beleid, vaak ondersteund door scouts. In de jaren zeventig, toen amateurclubs spelers van andere clubs gingen benaderen, tierde het zwarte geld welig. Overdreven reiskostenvergoedingen, baantjes voor spelers, het hoorde er allemaal bij. Tegenwoordig gaat dit vrijwel volledig volgens de regels; aan zwart geld brandt niemand zich meer.
    Toch hoor je nog vaak de term ‘rijke en arme clubs’. En terecht. Clubs uit de Bollenstreek, Spakenburg en enkele andere plaatsen beschikken over goed gevulde portemonnees. Het wegkapen van een “sterspeler” bij de concurrent is daar geen uitzondering.

    Begin deze eeuw hoorde ASWH ook bij de amateurclubs die goed in de “slappe was” zat. Na het landskampioenschap in 2005 stonden spelers in de rij om bij ASWH te willen voetballen. Sponsors maakten het aantrekkelijk, trainingskampen in Spanje waren vaste prik. De coronaperiode vanaf 2020 had echter grote gevolgen voor een aantal belangrijke sponsors, die noodgedwongen afhaakten. Die gevolgen zien we nu terug op de ranglijst. ASWH is geen toonaangevende club meer in de derde divisie. Onze technische mensen doen wat ze kunnen, maar worden geconfronteerd met een te duur spelersaanbod. Tegelijkertijd worden onze grootste talenten weggehaald door concurrenten, of vertrekken (hoppen) zij naar de club die simpelweg meer betaalt.