• De thans 63-jarige René van Rijswijk is al 55 jaar lid van ASWH en heeft tot zijn 60e in competitieverband tegen de bal getrapt. Maar nog steeds is hij een zeer gewaardeerde voetballer van het team Azuri dat aan de Old Stars competitie deelneemt. René zal een van de oudste actieve voetballers bij ASWH zijn. Hoe heeft René zijn voetballeven bij de vereniging tot nu toe ervaren? Een monoloog.

    “Ik ben op mijn 8e lid geworden van ASWH. Ik heb alle leeftijdscategorieën bij de jeugd doorlopen maar ben nooit geselecteerd geweest voor C1 of B1. Tot aan A1 verliep het allemaal geruisloos en van die gehele periode herinner ik mij ook niet zoveel. Het was in ieder geval weinig spectaculair. Onder trainer Leo Vroegindewey werd ik alsnog selectiespeler van A1. We werden dat jaar kampioen met een heel talentvolle groep waarvan later 7 spelers in het 1e terechtkwamen. Dat waren Sjoerd Boomsma, Jaap Kense, Ewald van ’t Hof, Adrie van de Graaf, Arie Bronmeijer, Peter Vrijdag en ikzelf natuurlijk. Toen ik senior werd begon ik in het 4e elftal en daarna groeide ik via het 3e en 2e naar het 1e elftal toe. Daarna behoorde ik zo ongeveer 10 jaar bij de A-selectie, dan weer wel en dan weer niet in het 1e. Voor de trainers was ik, denk ik, een gemakkelijke voetballer die altijd meewilde en altijd klaarstond om in te vallen. En dat was ook wel logisch omdat ik zeker niet de beste voetballer was. Mijn debuut in het 1e elftal maakte ik bij trainer Henk van Osch, een aimabele man die nog steeds regelmatig thuiswedstrijden van het 1e bezoekt. Daarna kwam Cees van den Bosch die mij ook regelmatig opstelde. Die mocht je wel of niet, een trainer met voor- en tegenstanders. Van den Bosch was een uitgesproken trainer, die had een 1e en een 2e elftal. Hij was ook consequent. Was de laatste man van het 1e geblesseerd dan werd deze vervangen door de laatste man van het 2e. Wij hadden een wedstrijd tegen DOVO maar de laatste man Wout Tims was geblesseerd. Ik stond op dat moment laatste man in het 2e dus ik werd tegen DOVO als laatste man neergezet met Paul Tims voor me en Dick Rijnenberg rechtsback en Aad van der Graaf linksback en daar moest ik dus leiding geven, aan spelers die veel verder waren dan ik. Maar we wonnen wel met 2-0.
    Bij Arnold Lobman heb ik wel de meeste wedstrijden gespeeld. Een opmerkelijk feitje was wel dat ik in al die seizoenen maar een paar keer op de selectiefoto stond. Ik kwam er vaak pas later in het seizoen bij. Toen Lobman trainer was heb ik ook het eerste trainingskamp meegemaakt in Spanje, in Benidorm. Iedereen die daar bij is geweest spreekt daar nog over, dat was echt fantastisch. Ik herinner mij dat wij van de trainer niet te laat thuis mochten komen als we gingen stappen, maar we kwamen natuurlijk wel te laat, al was het maar 5 minuten. En de reactie van Lobman was dan; ik ben niet boos, ik ben niet boos, ik ben teleurgesteld. En daarmee trapte hij ons op het hart want wij mochten deze mooie trainer wel. Hij was het, die voor elke wedstrijd een glaasje sherry naar binnen werkte. Dat was nodig voor zijn zenuwen beweerde hij. En dan was er in die tijd ook leider Bé Vijge natuurlijk. Een prachtige combi Vijge en Lobman. Bé was een gelijke met de spelers. Het 1e elftal bestond toen nog uit vrijwel allemaal ASWH-jongens. Het waren er maar een paar die van buiten kwamen. Het was de tijd dat het “betaalde” voetbal begon bij ASWH. De meeste spelers kregen nog geen vergoeding, maar een paar spelers werkten bij het ICT bedrijf Troost, de toenmalige suikeroom van de club.
    Een van mijn hoogtepunten in het 1e elftal beleefde ik op 18 december 1985 tijdens de bekerwedstrijd Fortuna Sittard – ASWH. Fortuna stond op dat moment derde in de eredivisie. Zoals ik eerder heb gezegd, ik stond vaak reserve, ook tijdens die wedstrijd. In die wedstrijd stond John Linford bij Fortuna opgesteld, een Engelsman, die bekend stond als een snoeiharde speler. Aad van der Graaf stond linksback maar die viel na 20 minuten al uit, dus ik moest erin en kwam tegenover Linford te staan. Bij de eerste paar ballen die Linford kreeg aangespeeld troefde ik hem af en dat viel niet in goede aarde bij hem. Op een gegeven moment kwam ik voor hem om de bal te onderscheppen en schopte hij mij keihard tegen de achterkant van mijn been aan. De strepen van zijn noppen stonden in mijn been gekerfd. In de rust werd hij gewisseld en dat was voor mij wel een overwinning. We verloren die wedstrijd met 3-0 maar het was een mooie belevenis.
    Toen ik overging van de junioren naar de senioren ging ik naar het 4e elftal en daar kwamen wij spelers tegen die vanuit 1e elftal kwamen en aan het zakken waren. Maar wij gingen vanuit het 4e naar het 3e elftal en zo steeds hoger. Volgens mij is later Michel Devilee ook in het derde begonnen. Er ontstond een soort kruisbestuiving omdat je ging spelen met ex-1e elftal spelers waarmee grote leeftijdsverschillen waren. Je kwam bijvoorbeeld Jacob Uijl tegen, die iedereen op zijn falie gaf tijdens de training. Zo waren spelers als Ab Ritmeester en Geert Wielinga geweldige gasten met veel voetbalervaring, die dat ook aan ons doorgaven. Dat heeft mij geholpen, waardoor ik toch nog ruim 100 wedstrijden in het 1e heb gespeeld.
    De terugweg naar het 3e en lager heb ik afgelegd met Dick Rijnenberg. Wij hebben altijd in hetzelfde elftal gespeeld. Pas drie jaar geleden zijn we gestopt toen we in het veteranenelftal uitkwamen. Jammer genoeg waren er voor dit veteranenelftal, mede door Corona, niet genoeg spelers meer beschikbaar. Tot mijn 60e heb ik in competitieverband gevoetbald en ik had best nog wel door willen gaan. Ik ben wel doorgegaan met voetballen bij de Old Stars (35+) waar ik ook al zo’n 20 jaar actief aan deelneem. In al mijn voetbaljaren heb ik wel veel meegemaakt. Veel verschillende elftallen gehad met veel spelers die er altijd bij waren zoals Peter van Kooten, Dick Rijnenberg, Henk van der Meulen en de veel te vroeg overleden Bart van der Linden. Mijn zoontje was inmiddels ook lid geworden van ASWH en dan wordt je gebombardeerd tot trainer en leider. Dit overkwam mij ook en dat heb ik met veel plezier gedaan. Maar mijn mooiste jaren vond ik wel mijn seniorentijd tot mijn 33e jaar. Daarna heb ik jaren, in verschillende lagere elftallen, tegen dezelfde tegenstanders gespeeld. Ik heb ook geluk gehad dat ik nooit zwaar geblesseerd ben geweest. Daardoor kan ik zolang doorvoetballen. Veel spelers heb ik af zien vallen vanwege blessures. Dat geldt zeker voor spelers die hoog gevoetbald hebben. Die hebben geen meniscus meer of hebben een nieuwe knie of heup.
    Waar ik verder trots op ben, en dit is geheel iets anders, is ons clublied. Tijdens de organisatie van het 60-jarige jubileum van ASWH werd er een groot feest gehouden in de sporthal. Daar was ik met Ton Schreuders en Henk van der Meulen bij betrokken en volgens mij was het voorzitter John van Spronsen die aan Ton en mij vroeg, zouden jullie eens een clublied willen schrijven. In deze periode zat ik op de sportacademie HALO in Den Haag samen met Ton en ook Arie Bronmeijer. Op die sportacademie hadden wij een variant van een oud bierlied. Dat heette New Castle Brown. En de melodie van dat lied hebben wij gebruikt om een tekst op te schrijven. Om het muzikaal te maken hebben wij Harry de Vries en zijn band ingeschakeld. Harry heeft het arrangement gemaakt en gespeeld en een opname gemaakt. Die opname is nadien jaren gespeeld op feesten en tijdens de wedstrijden van het 1e elftal. Dit clublied was bijzonder populair bij de spelers en na afloop van elke wedstrijd daverde het door de kleedkamers en in de kantine. Dit lied bracht wel wat teweeg. Ik vind het heel jammer dat het nu niet meer gespeeld wordt bij de thuiswedstrijden van het 1e elftal, zoals bijvoorbeeld de Sparta Mars. Het bestuur zou het verplicht moeten stellen om dit wel te doen, en ook regelmatig te laten horen in de kantine. Dat ASWH gevoel zou moeten terugkeren.
    In mijn periode dat ik bij het 1e elftal behoorde gingen we na afloop van elke wedstrijd naar de kantine, of het nu uit of thuis was, en het werd dan vaak feest. We gingen mee in de gezelligheid van de club. Ik herinner mij nog een wedstrijd die we bij IJsselmeervogels met 4-0 verloren en dat wij na afloop in de kantine van IJsselmeervogels een geweldig feest meemaakten.
    Een dieptepunt in mijn voetbalcarrière was de dood van Martin de Vries in 1988. Een jonge speler van het 1e elftal die met zijn auto onderweg was en dodelijk verongelukte. Dit was heel heftig voor het 1e elftal en de vereniging.
    Momenteel sport ik nog volop. Ik speel bij Azuri in de Old Stars met andere ouwetjes, zoals Peter Prins en Henk van der Meulen aangevuld met wat jongere natuurlijk. Ik doe ook nog aan hardlopen, wielrennen en speel tennis en paddel. Ik ben nooit gestopt met voetballen en daarom heb ik nooit opnieuw hoeven te beginnen met sporten. Bovendien ben ik een teamsporter omdat ik het liefst in groepsverband sport. Ik heb de marathon van Rotterdam gelopen. Daarvoor gingen we elke zondagochtend op een vaste tijd met een groep trainen en dat doen we nog steeds. Maar ik zal nooit in mijn eentje gaan lopen. De charme van de sport is, vind ik, dat je het met elkaar deelt. Ook heb ik met een soort ASWH team, met o.a. John en Patrick van de Wulp en Harry Slagman, een aantal keer de Roparun gelopen. Ook een fantastische belevenis.
    Ik vind sport heel erg leuk dus koos ik, na een half jaar HTS en militaire dienst, voor de sportacademie. Maar daar was ik ook niet goed genoeg voor. Het sporten ging fantastisch maar de vakken psychologie, pedagogiek en de geschiedenis van de Nederlandse gymnastiek hadden minder mijn voorkeur. Dus die opleiding hield na een jaar ook op. Toen ben ik bij mijn vader in de winkel gaan werken.”

    René is met zijn vrouw Anita nu al 40 jaar eigenaar van twee Livera winkels, waaronder één in De Schoof.

    Door Gerrit Scheurwater

  • Het 1e elftal op trainingskamp tijdens het seizoen 1990 - 1991. 4e van rechts René van Rijswijk (zwaaiend).